Burgemeesters onvoldoende voorbereid op hun rol als crisismanager

Nederland is het enige land in de wereld dat burgemeesters inzet als crisismanager, terwijl ze daar niet op zijn voorbereid.
- Column

Wanneer een ramp zich voltrekt — een grote brand, een aanslag, een pandemie of ernstige ordeverstoringen — kijkt iedereen naar één persoon: de burgemeester. In Nederland is de burgemeester wettelijk het boegbeeld én de eindverantwoordelijke in crisissituaties. Dat klinkt logisch, maar het wringt. Want hoewel burgemeesters een sleutelrol spelen in crisisbeheersing, zijn zij vaak onvoldoende opgeleid en getraind om daadwerkelijk als crisismanager op te treden. Dat is geen verwijt aan individuele burgemeesters, maar een structureel probleem in ons bestuurssysteem.

Burgemeesters worden niet gekozen op basis van ervaring met crisismanagement, maar worden geselecteerd op basis van bestuurlijke kwaliteiten, politieke sensitiviteit en verbindend vermogen. Dat zijn belangrijke eigenschappen, maar ze vormen geen vervanging voor specialistische kennis over rampenbestrijding, besluitvorming onder extreme druk en multidisciplinaire samenwerking met veiligheidsdiensten. Crisismanagement is een vak apart, vergelijkbaar met chirurgie of luchtvaart: je leert het niet alleen uit boeken, maar vooral door intensieve training, oefening en herhaling daarvan.
In de praktijk volgen burgemeesters wel cursussen en oefeningen, maar die zijn vaak beperkt in duur en diepgang. Een paar simulaties per jaar staan in schril contrast met de dagelijkse training van politie, brandweer, ambulancepersoneel en defensie. Toch wordt van de burgemeester verwacht dat hij of zij in enkele minuten beslissingen neemt met mogelijk levensgrote gevolgen. Denk aan evacuaties, noodverordeningen of communicatie richting een angstige bevolking. Zonder diepgaande training bestaat het risico dat besluiten te laat, te voorzichtig of juist te rigoureus worden genomen.

Daarnaast is er het probleem van rolverwarring. In crisissituaties moet de burgemeester tegelijkertijd bestuurder, woordvoerder, verbinder en beslisser zijn. Dat vraagt om mentale weerbaarheid en stressbestendigheid op topniveau. Veel burgemeesters geven ook zelf aan hoe zwaar deze verantwoordelijkheid weegt. Het is dan ook geen toeval dat evaluaties na crises regelmatig wijzen op gebrekkige regie, onduidelijke communicatie of te grote afhankelijkheid van adviseurs. Een sterke adviseursrol is waardevol, maar mag nooit een gebrek aan eigen deskundigheid maskeren.
Een veel gehoord geluid is dat burgemeesters er niet alleen voor staan en dat veiligheidsregio’s zijn ingericht om expertise te bundelen. Dat is waar, maar uiteindelijk is het de burgemeester die het besluit ondertekent en publiekelijk verdedigt. Verantwoordelijkheid zonder voldoende voorbereiding is geen kracht, maar een kwetsbaarheid — voor de bestuurder én voor de samenleving.

De oplossing ligt wat mij betreft niet in het afschaffen van de burgemeestersrol in crises, maar in het serieus professionaliseren ervan. Denk aan verplichte opleidingstrajecten, vergelijkbaar met die van topambtenaren of militaire leiders. Of aan het aanstellen van gespecialiseerde crisisburgemeesters in risicovolle regio’s. Ook kan worden overwogen om de (operationele leiding) explicieter bij professionals te leggen, terwijl de burgemeester zich richt op legitimiteit, communicatie en publieke verantwoording.

Crisismanagement is te belangrijk om te baseren op goede bedoelingen en improvisatie. Zolang burgemeesters onvoldoende zijn opgeleid en getraind voor deze taak, blijft de vraag gerechtvaardigd of we onze veiligheid niet overlaten aan een systeem dat vooral vertrouwt op hoop en ervaring — in plaats van op vakmanschap.

twitterFacebooklinkedinmailtwitterFacebooklinkedinmail

Auteur: Gert-Jan Ludden
Aangemaakt: