Moderne en complexe crises vereisen een robuuster veiligheidsbestel

Het Nederlandse veiligheidsbestel staat onder druk. Klimaatverandering leidt tot extremere weersomstandigheden, internationale spanningen vergroten de hybride dreiging en er is steeds meer sprake van maatschappelijke ontwrichting. Tegelijkertijd is de (bestuurlijke) organisatie van veiligheid versnipperd. Cruciaal daarbij zijn de 25 veiligheidsregio’s. Hoewel zij bij hun oprichting 20 jaar geleden logisch waren, is het nu de vraag of deze structuur wel toekomstbestendig is? Een robuuster veiligheidsbestel ontstaat wanneer de taken en verantwoordelijkheden in de crisisbeheersing worden overgenomen door de twaalf provincies.

De veiligheidsregio’s zijn tot stand gekomen om de samenwerking tussen gemeenten te versterken op het gebied van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. In de praktijk zijn zij uitgegroeid tot een extra bestuurslaag, met eigen besturen, ambtelijke organisaties en (wettelijke) verantwoordelijkheden. Dat leidt tot onduidelijkheid: wie is uiteindelijk verantwoordelijk bij een grote crisis? De burgemeester, de voorzitter van de Veiligheidsregio of het Rijk? Deze bestuurlijke gelaagdheid vertraagt besluitvorming en maakt het systeem kwetsbaar in situaties waarin snelheid en eenduidigheid cruciaal zijn. Bovendien zijn de veiligheidsregio’s organisatorisch toegerust voor klassieke rampenbestrijding en niet gefocust op moderne crisisbeheersing.

Provincies zijn beter gepositioneerd om deze rol over te nemen. Zij vormen al een verankerde bestuurslaag met democratische legitimatie, strategische slagkracht en gebiedsgerichte coördinatie. Provinciale grenzen sluiten beter aan bij andere beleidsterreinen die direct raken aan veiligheid, zoals ruimtelijke ordening, infrastructuur en natuurbeheer. Veiligheid is niet een op zichzelf staand vraagstuk; het is verweven met de maatschappelijke inrichting van ons land.

De huidige indeling in 25 veiligheidsregio’s zorgt ook voor versnippering van expertise en capaciteit. Niet elke regio heeft dezelfde schaal of middelen om complexe crises het hoofd te bieden. Door de verantwoordelijkheid te concentreren bij de provincies kan kennis beter worden gebundeld en kan efficiënter worden geïnvesteerd in specialistische capaciteiten, zoals crisiscommunicatie, data-analyse, publiek-private – en civiel militaire samenwerking. Minder regio’s betekent bovendien minder bestuurlijke drukte, beter overzicht en significante kostenbesparing.

Ook de democratische controle is gebaat bij de provinciale verankering van veiligheidstaken. Provinciale staten hebben een duidelijke controlerende rol en zijn beter zichtbaar voor burgers dan de besturen van de veiligheidsregio’s die grotendeels buiten het publieke debat opereren. Door veiligheid expliciet onderdeel te maken van het provinciaal beleid, wordt het onderwerp beter bespreekbaar en transparanter verantwoord.

Dat betekent niet dat gemeenten buitenspel worden gezet. Integendeel: zij blijven onmisbaar in de lokale uitvoering en signalering. Maar de regie, voorbereiding en coördinatie bij complexe crises hoort thuis op een niveau dat overzicht, doorzettingsmacht en samenhang kan bieden. De provincie kan die rol vervullen, in nauwe samenwerking met gemeenten, het Rijk en andere veiligheidspartners. De provincie is ook prima in staat de grensoverschrijdende coördinatie met buitenlandse hulpdiensten en gezag van buurlanden af te stemmen.

Als Nederland zijn veiligheidsbestel wil voorbereiden op de uitdagingen van de komende decennia, is bestuurlijke durf nodig. Het heroverwegen van de rol van de veiligheidsregio’s en het beleggen van hun taken bij de provincies is een noodzakelijke stap naar een sterker, overzichtelijker en democratischer systeem. Veiligheid is te belangrijk om versnipperd te organiseren.


Wanneer een ramp zich voltrekt — een grote brand, een aanslag, een pandemie of ernstige ordeverstoringen — kijkt iedereen naar één persoon: de burgemeester. In Nederland is de burgemeester wettelijk het boegbeeld én de eindverantwoordelijke in crisissituaties. Dat klinkt logisch, maar het wringt. Want hoewel burgemeesters een sleutelrol spelen in crisisbeheersing, zijn zij vaak onvoldoende opgeleid en getraind om daadwerkelijk als crisismanager op te treden. Dat is geen verwijt aan individuele burgemeesters, maar een structureel probleem in ons bestuurssysteem.

Burgemeesters worden niet gekozen op basis van ervaring met crisismanagement, maar worden geselecteerd op basis van bestuurlijke kwaliteiten, politieke sensitiviteit en verbindend vermogen. Dat zijn belangrijke eigenschappen, maar ze vormen geen vervanging voor specialistische kennis over rampenbestrijding, besluitvorming onder extreme druk en multidisciplinaire samenwerking met veiligheidsdiensten. Crisismanagement is een vak apart, vergelijkbaar met chirurgie of luchtvaart: je leert het niet alleen uit boeken, maar vooral door intensieve training, oefening en herhaling daarvan.
In de praktijk volgen burgemeesters wel cursussen en oefeningen, maar die zijn vaak beperkt in duur en diepgang. Een paar simulaties per jaar staan in schril contrast met de dagelijkse training van politie, brandweer, ambulancepersoneel en defensie. Toch wordt van de burgemeester verwacht dat hij of zij in enkele minuten beslissingen neemt met mogelijk levensgrote gevolgen. Denk aan evacuaties, noodverordeningen of communicatie richting een angstige bevolking. Zonder diepgaande training bestaat het risico dat besluiten te laat, te voorzichtig of juist te rigoureus worden genomen.

Daarnaast is er het probleem van rolverwarring. In crisissituaties moet de burgemeester tegelijkertijd bestuurder, woordvoerder, verbinder en beslisser zijn. Dat vraagt om mentale weerbaarheid en stressbestendigheid op topniveau. Veel burgemeesters geven ook zelf aan hoe zwaar deze verantwoordelijkheid weegt. Het is dan ook geen toeval dat evaluaties na crises regelmatig wijzen op gebrekkige regie, onduidelijke communicatie of te grote afhankelijkheid van adviseurs. Een sterke adviseursrol is waardevol, maar mag nooit een gebrek aan eigen deskundigheid maskeren.
Een veel gehoord geluid is dat burgemeesters er niet alleen voor staan en dat veiligheidsregio’s zijn ingericht om expertise te bundelen. Dat is waar, maar uiteindelijk is het de burgemeester die het besluit ondertekent en publiekelijk verdedigt. Verantwoordelijkheid zonder voldoende voorbereiding is geen kracht, maar een kwetsbaarheid — voor de bestuurder én voor de samenleving.

De oplossing ligt wat mij betreft niet in het afschaffen van de burgemeestersrol in crises, maar in het serieus professionaliseren ervan. Denk aan verplichte opleidingstrajecten, vergelijkbaar met die van topambtenaren of militaire leiders. Of aan het aanstellen van gespecialiseerde crisisburgemeesters in risicovolle regio’s. Ook kan worden overwogen om de (operationele leiding) explicieter bij professionals te leggen, terwijl de burgemeester zich richt op legitimiteit, communicatie en publieke verantwoording.

Crisismanagement is te belangrijk om te baseren op goede bedoelingen en improvisatie. Zolang burgemeesters onvoldoende zijn opgeleid en getraind voor deze taak, blijft de vraag gerechtvaardigd of we onze veiligheid niet overlaten aan een systeem dat vooral vertrouwt op hoop en ervaring — in plaats van op vakmanschap.


Nederland was begin deze eeuw een vredelievend landje waar het goed toeven was. Dat is nu wel anders. Het leefklimaat is aanzienlijk verslechterd. Je hoort veel mensen daarover klagen en het vertrouwen in de overheid is tot een dieptepunt gedaald. Dat is niet zo moeilijk te verklaren, omdat vier kabinetten Rutte en het kabinet Schoof deze neerwaartse spiraal hebben ingezet en de verbinding met de samenleving volledig zijn kwijt geraakt.
Actueel nieuws over wantoestanden bij de belastingdienst en het UWV, het cellentekort in combinatie met het vroegtijdig vrijlaten van gevangen, het volledig uit de hand gelopen vluchtelingenvraagstuk, de structurele afname in onderwijskwaliteit en de toenemende excessen rond personen met verward gedrag illustreren dit. Slechts enkele voorbeelden van wanbestuur, waaruit blijkt dat het (partij)politieke belang en machtsbelangen prevaleren boven het maatschappelijke belang.

Ook andere kwesties doen de verontwaardiging toenemen. Wat te denken van de (druggerelateerde) criminaliteit, culminerend in aanslagen, vendetta’s, femicide, verpaupering van de grote steden en een hoge mate van agressie jegens onze hulpverleners. Zelfs conducteurs worden al uitgerust met de wapenstok. Het bezuinigen op de Nationale Politie waarbij de agent uit het straatbeeld is verdwenen, eist hier zichtbaar zijn tol. Nederland is inmiddels een walhalla geworden voor de georganiseerde criminaliteit.

Al ruim drie jaar worden er miljarden gepompt in Oekraïne. Een oorlog die niet de onze is. Ook wordt er aanzienlijk meer geld afgedragen aan de EU, terwijl we daar steeds minder voor terugkrijgen. En dit terwijl er onverantwoordelijk wordt bezuinigd op de publieke dienstverlening. Ook boeren en vissers wordt een strop om de nek gelegd, terwijl we die sectoren moeten koesteren. Zeker in een tijd waarin de samenleving weerbaar moet worden. De manier waarop onze geschiedenis wordt bekritiseerd en bestuurders vluchten in excuses voor gebeurtenissen in het verleden doen ook de wenkbrauwen fronsen. De overheid laat de ouderen in de steek en ook de jonge generatie heeft het erg moeilijk op de arbeids- en woningmarkt. Het is bizar dat een hoog percentage jongeren een burn-out heeft en velen het land verlaten en zich elders vestigen. Voorts slipt ons wegennet dicht, worden karakteristieke molens en tulpenvelden vervangen door windmolens en ‘parken’ met zonnepanelen, laten we de aardbevingsslachtoffers en andere gedupeerden in de steek, vergaderen we ons suf over onnavolgbaar klimaat- en stikstofbeleid en neemt de polarisatie en verharding in de maatschappij sterk toe.

Deze en meer sluimerende ontwikkelingen brengen ons maatschappelijk welbevinden in een neerwaartse spiraal. Bij de burgers leidt dat tot irritatie en frustratie. Een ontwikkeling die politici, bestuurders en mainstreammedia liever niet zien, omdat ze meer met hun eigen ‘merk’ bezig zijn dan met de publieke zorg. Kernwaarden als integriteit, betrouwbaarheid en moreel besef worden met het grootste gemak geschonden. Allemaal signalen die in samenhang gemakkelijk kunnen leiden tot een verdergaande maatschappelijke ontwrichting.

Nederland wijst graag met het vingertje naar andere landen, maar laten we nu eerst de hand maar eens in eigen boezem steken. We kunnen niet ontkennen dat ons land zichtbaar in verval is en op vele internationale ranglijstjes daalt in de waardering. Gelukkig zit revolutionair optreden niet in onze genen, daar er anders al een bestorming van het Binnenhof had plaatsgevonden. Laten we er voor waken dat het niet zover komt. Hier ligt een grote uitdaging voor het nieuwe kabinet om de komende jaren het tij te doen keren zodat het leefklimaat weer een stuk aantrekkelijker wordt. Nederland moet weer een land worden om trots op te zijn!


Een coronavirus is door de overheid aangepakt met tal van disproportionele maatregelen. Adviezen vanuit de WHO en het OMT werden blindelings opgevolgd. Er was slechts oog voor de zorgsector, waarbij onderwijs, economie en maatschappelijk welzijn werden verwaarloosd. Er ontstond onduidelijkheid over mondkapjes, langdurige lockdowns, de avondklok en de introductie van een nauwelijks getest mRNA-vaccin. De crisiscommunicatie was primair gericht op angstinboezeming om het gedrag van mensen te beïnvloeden. ‘U doet het voor de veiligheid van een ander’. En men duldde geen tegenspraak. Critici werden weggezet als ‘wappies’ en complotdenkers.

De effecten van deze crisisaanpak zijn niet gering. Jongeren kampen met psychosociale problematiek, ouderen zijn vereenzaamd, veel MKB-bedrijven zijn in financiële problemen geraakt, de polarisatie binnen de samenleving heeft schrikbarende vormen aangenomen (gevaccineerde-versus niet gevaccineerde mensen) en dan is er nog de onverklaarbare oversterfte waarvan wordt weggekeken. Overheid, politiek en vooral de media hebben niets geleerd uit deze periode. Zij zijn sinds februari 2022 kritiekloos en in ‘tunnelvisie-modus’ gegaan over de oorlog in Oekraïne. Het coronavirus van toen heet nu het oorlogsvirus.

Regeringsleiders onderstrepen dat het ‘onze oorlog’ is en rechtvaardigen een miljardeninvestering in de NAVO, Oekraïne en de defensie-industrie met het adagium dat dit nodig is voor ‘onze veiligheid’. De macht en arrogantie van de EU, NAVO en in het bijzonder president Trump bepalen wat de lidstaten moeten doen. Parlementariërs gaan hier buigend als knipmessen in mee. Het ‘oorlogsmanagementteam’ bestaande uit Generaals vermarkt oorlog, dood en verderf als een aantrekkelijke product. De Koning spreekt woorden als “Nederland moet tot de tanden toe worden bewapend” en Mark Rutte voegt daaraan toe “wanneer u als gezin geen 8.000 euro per jaar extra afdraagt aan belastingen, dan spreekt u straks Russisch”. Het angstinstrument wordt weer als wapen uit de kast gehaald. De bevolking moet een noodpakket aanschaffen. Er worden schuilkelders ingericht en men wordt voorgespiegeld dat de kans groot is dat essentiële voorzieningen langdurig gaan uitvallen. En tegenspraak wordt niet op prijs gesteld. Mensen die kritisch reflecteren worden aangemerkt als Poetin aanhangers en verspreiders van desinformatie. Leve de democratie en de vrijheid van meningsuiting!

We zien een herkenbare risico-regelreflex van politiek en overheid. Het overreageren van bestuurders op een dreiging, die veel groter wordt voorgesteld dan ze is. Daarbij is sprake van gevaarlijke tunnelvisie, doelredeneringen en groupthink. Is Rusland wel een reële dreiging voor het NAVO-grondgebied? Is de Russische krijgsmacht wel zo sterk, nu blijkt dat ze in drie jaar tijd nog niet eens een klein stukje Oekraïne in bezit hebben? Is het wel gerechtvaardigd om jaarlijks miljarden euro’s extra te investeren in de defensie-industrie en in wapentuig voor Oekraïne, terwijl dit ten koste gaat van bezuinigingen op de zorg, onderwijs, politie, brandweer en andere voorzieningen? Bewijslast voor dit alles blijft achterwege!
Het revitaliseren van de krijgsmacht na 30 jaar van bezuinigen is begrijpelijk. Ook een wake-up call om als samenleving weerbaarder en veerkrachtiger te worden is gerechtvaardigd. Onnodige oorlogsretoriek, bangmakerij en disproportionele oorlogsinvesteringen zijn echter verwerpelijk en hebben zelfs een averechts effect. Zeker tegen de achtergrond van de vertrouwens-implosie bij burgers in overheid, politiek en media. De kritische burger heeft deze strategie en manipulatie inmiddels feilloos in de gaten.

De belangrijkste uitdaging voor verantwoordelijke autoriteiten en de media is de lessen van de coronajaren te leren. Kritische vragen blijven stellen, verbindend leiderschap tonen en vooral niet laten meeslepen door het dominante oorlog narratief. Het is nu tijd het oorlogsvirus in te dammen. Anders creëren we een ‘nieuwe pandemie’ die alleen maar tot meer maatschappelijke ellende leidt. En daar zit niemand op te wachten.


Sinds 1977 heeft de Tweede Kamer als controle-instrument de parlementaire enquête ingezet om onderzoek te doen naar ernstige gebeurtenissen die veel impact hebben op (delen van) de samenleving. De laatste enquêtes waren die van de gaswinning Groningen (2019-2023) en de toeslagenaffaire (2021-2024). Momenteel loopt de enquête naar de aanpak van de coronacrisis (2021-2026). Opvallend is dat vrijwel alle onderzoeksrapporten dezelfde conclusies trekken. Het parlement is onjuist, onvolledig, ontijdig en onzorgvuldig geïnformeerd. Er is sprake van een tunnelvisie en de belangen van de gedupeerden zijn niet serieus genomen door de overheid. Burgers en samenleving betalen elke keer weer een hoge prijs. De onderzoeksrapporten worden met veel publicitaire aandacht gepresenteerd, de Tweede Kamerleden zijn geschokt en vervolgens zien we weinig tot geen verbeteringen in de praktijk. Het lijkt veel op een ‘toneelstukje voor de bühne’. De parlementaire enquête in zijn huidige opzet is nutteloos en achterhaald. Een fundamenteel andere opzet is dringend gewenst.

In de huidige aanpak zien we een aantal knelpunten. De voorbereiding en uitvoering van de enquête duurt veel te lang. Dat betekent dat verantwoordelijke functionarissen die onder ede worden gehoord vaak al een andere functie vervullen en geen ‘actieve herinneringen’ meer hebben aan het verleden. De Tweede Kamerleden die zitting hebben in de commissie doen dit naast hun reguliere taak en doorgaans hebben zij te weinig inhoudelijke kennis van het dossier. Dit alles draagt niet bij aan scherpe conclusies en aanbevelingen. Het is bizar dat het onderzoek naar de coronapandemie meer dan vier jaar in beslag gaat nemen. Daar komt nog bij dat de Tweede Kamer zelf een belangrijke rol vervulde in die crisisaanpak en dus onderzoek doet naar het eigen functioneren. Zeer onwenselijk. Een andere constatering is dat de parlementaire enquêtecommissie geen toezichthoudende rol heeft bij de implementatie van de verbetermaatregelen. M.a.w. de Kamer ziet machteloos toe dat het onderzoek in de praktijk weinig tot geen resultaat oplevert. De toeslagenaffaire is daarvan het sprekende voorbeeld.

De tijd is rijp het controle-instrument van de parlementaire enquête te vernieuwen en uit handen van de Tweede Kamer te nemen. Dat kan als volgt. Benoem een commissie van externe deskundigen (passend bij het onderzoek) die onder regie van de Tweede Kamer geheel onafhankelijk het onderzoek gaat uitvoeren. Geef daarbij de richtlijn mee dat het onderzoek binnen één jaar moet worden afgerond. Maak de verhoren voor het publiek breed toegankelijk en streef een maximale transparantie en openheid na. Omdat de commissie uit materiedeskundigen met praktijkervaring bestaat, is de inhoudelijke diepgang van het onderzoek gewaarborgd. Geef de commissie ook een toezichthoudende taak. Dat kan door na de presentatie van het eindrapport de commissie nog één jaar aan te houden om toe te zien op het implementatieproces van de verbetermaatregelen en over de voortgang de Tweede Kamer te informeren. Twee jaar na start van de werkzaamheden kan de onderzoekscommissie worden ontmanteld. Snel, efficiënt, doeltreffend en maatschappelijk relevant.

Met deze verfrissende aanpak wordt primair recht gedaan aan de gedupeerden en de samenleving als geheel. Zij krijgen veel sneller duidelijkheid over het ‘ongekende onrecht’ dat is aangedaan en over de hersteloperatie. Daarnaast wordt de kwaliteit van het onderzoek aanzienlijk verbeterd, kunnen de Tweede Kamerleden zich weer richten op hun primaire taak, is de objectiviteit van het onderzoek geborgd en is er een strakker toezicht op het naleven van de onderzoeksbevindingen. Het 50 jaar oude controle-instrument loopt dan weer in de pas met de moderne maatschappelijke ontwikkelingen en zal daarmee van grotere betekenis kunnen zijn.


In een samenleving die steeds onveiliger wordt, worden ook scholen regelmatig geconfronteerd met crisissituaties. Voorbeelden zijn schiet- en steekincidenten, terreurdreiging, digitale ontwrichting, zedendelicten, fraude, infectieziekten en ernstige ongevallen tijdens schoolreisjes. Het zijn tragische gebeurtenissen met veel impact op leerlingen, onderwijzend personeel, ondersteunende medewerkers, familieleden en verwanten. De vraag is of scholen wel voldoende zijn voorbereid op complexe crisissituaties? Het antwoord daarop is “nee”. Scholen onderkennen weliswaar de risico’s, maar de gedachte “ons zal het wel niet overkomen” overheerst. Bovendien ontbreekt het veelal aan tijd en geld om hier voldoende aandacht aan te besteden. De scholen hebben veel lering kunnen trekken uit de coronacrisis. Maar van een echte ‘wake-up call’ is geenszins sprake.

De meeste scholen in het primair, middelbaar-, en voortgezet onderwijs hebben wel een protocol voor de bedrijfshulpverleningsorganisatie. Daarin besteden zij aandacht aan fysieke veiligheid, Arbo, bedrijfshulpverlening en bijbehorende ontruimingsprocedures. De laatste jaren is aandacht voor sociale veiligheid (pestgedrag, suïcide e.d.) en cybersecurity daaraan toegevoegd. Deze protocollen bieden echter geen stevige basis voor een diversiteit aan crisistypen in samenhang met een professionele voorbereiding, aanpak en nazorg. Crisisbeheersing staat nog onvoldoende op de bestuurlijke agenda en bij toezichtsorganen is het ook geen gespreksthema. De kennis van de verantwoordelijke functionarissen schiet tekort en er wordt te weinig samengewerkt met hulpdiensten en het openbaar bestuur. Het hoger- en universitair onderwijs heeft de laatste jaren een inhaalslag gemaakt. Maar ook hier is verdere intensivering aan te bevelen.

Gek genoeg lijken parlementariërs, het ministerie van OCW en de onderwijs koepelorganisaties zich hier niet druk over te maken. Op de vraag “moeten hier geen visie en beleidsrichtlijnen voor komen” is het antwoord steevast: “niet nodig: het veld moet het doen”. Dat schiet niet op en is een miskenning en onderschatting van dit belangrijke thema. Ook wordt er door het departement geen budget beschikbaar gesteld voor een verbeterprogramma crisisbeheersing in tegenstelling tot het Ministerie van VWS die dat wel heeft gerealiseerd voor de zorgsector.

Voor crisisbeheersing in het onderwijs is meer aandacht nodig. Scholen zullen een adequaat crisisplan moeten opstellen waarin ze beschrijven hoe ze crises aanpakken. Verder is het van belang dat scholen een netwerk onderhouden met hun publieke en private veiligheidspartners. Bij crisisbeheersing gaat het om kennis en kennissen. De Veiligheidsregio is voor de meeste scholen nog een onbekende organisatie en dat is anno 2024 onbegrijpelijk. Het is ook opmerkelijk dat de Veiligheidsregio’s zich niet inspannen om de onderwijssector (kwetsbare objecten) te ondersteunen in de crisispreparatie. Onderwijsinstellingen moeten ook beschikken over een professioneel crisisteam dat in stelling wordt gebracht als het daadwerkelijk misgaat. De deskundigheid van functionarissen die hierin een rol vervullen moet op peil zijn. Er zal daarom ook aandacht moeten worden besteed aan het opleiden, trainen en oefenen van deze mensen. Veiligheid is niet alleen iets voor de bestuurstafel, maar een verantwoordelijkheid van allen die binnen de school werkzaam zijn.

Het zou triest zijn wanneer we pas tot dit inzicht komen na een ernstige school shooting met veel slachtoffers. Schietdrama’s die in de VS, Duitsland en Finland regelmatig voorkomen (recent nog op 2 april 2024 in Finland). Voorspelbaar is dat Kamerleden in voorkomend geval geschokt zijn, het ministerie van OCW met een verbeterprogramma komt en dat alle scholen hun crisisorganisaties beter moeten gaan inregelen. Dit onder het motto van ‘een ramp op z’n tijd geeft pas richting aan het beleid’. Neem dit onderwerp dus uitermate serieus en ‘repareer het dak van de school als de zon schijnt’. Leerlingen en studenten hebben recht op kwalitatief hoogwaardig onderwijs in een zo veilig mogelijke omgeving.


Uit parlementaire enquêtes en tal van opiniepeilingen blijkt dat het vertrouwen van de bevolking in de (institutionele) overheid afneemt. De coronacrisis heeft daar in belangrijke mate aan bijgedragen met als ‘ongekend onrecht’ dat 3 miljoen ongevaccineerden door dienaren van de Kroon en de media zijn geschoffeerd. Inmiddels zien we dat de onvrede binnen de samenleving verder toeneemt. Dat laat zich verklaren aan de hand van een aantal ontwikkelingen.

In de eerste plaats de aanhoudende asielinstroom. Nederland heeft een aantrekkingskracht en blijkt niet in staat de grote aantallen vluchtelingen adequaat op te vangen. Het leidt tot structurele overlast, hoge kostenposten, spanningen binnen de samenleving en een discutabele spreidingswet. Daarnaast neemt de georganiseerde (drugs)criminaliteit schrikbarende vormen aan. Politie, justitie en het openbaar bestuur krijgen er geen grip op. In de grote steden leidt dat tot aanslagen waarbij grof geweld niet wordt geschuwd. Nederland treedt daarmee in de voetsporen van Italië. Een ontwikkeling die grote zorgen baart.

Dan zijn er nog andere aversieve aspecten. Zonder enige parlementaire controle worden door het demissionaire kabinet miljarden euro’s gepompt in Oekraïne terwijl er amper geld beschikbaar is ter compensatie van de Groningers (aardbevingsschade) en de Limburgers (wateroverlast). Nederland wordt overspoeld door zonnepanelen en windmolenparken waarbij natuurschoon wordt opgeofferd. Er worden onnavolgbare investeringen gedaan om klimaatverandering tegen te gaan en de hardwerkende boeren, tuinders en vissers moeten het veld ruimen. Niemand kan nog een touw vastknopen aan de stikstof- en CO2-reductie maatregelen van het kabinet, dat het braafste jongetje van de ‘Europese greendeal klas’ wil zijn. Pas nadat boeren Den Haag en Brussel bestormden bonden Nederland en Europa enigszins in.

Nederland kampt voorts met een structureel probleem op de woningmarkt, er is een tekort aan personeel in de zorg, het onderwijs, de politie en horeca en we hebben te maken met alsmaar stijgende energie- en zorgkosten. Er zijn te weinig plaatsen beschikbaar voor Nederlandse studenten op Universiteiten, omdat buitenlandse studenten de voorkeur genieten. De ouderenzorg is volledig uitgekleed en binnen de rechtspraak en de GGZ loopt het systeem muurvast. Gevangenissen bieden te weinig opvangplekken en de GGZ kraakt in haar voegen, waardoor steeds meer mensen met verward gedrag en TBS vrij rondlopen.

En tenslotte de tenenkrommende ‘woke-cultuur’ die sluipenderwijs onze samenleving gijzelt. Van het verbannen van zwarte piet, het verketteren van onze oorlogshelden, het verbieden van de nootmuskaatstraat, het cancelen van paarden in draaimolens tot een poging tot het verwijderen van het begrip ‘moeder’ uit de wetgeving. Allemaal bizarre maatregelen waar het merendeel van de bevolking zich mateloos aan ergert.

De vier kabinetten Rutte hebben ons landje in een neerwaartse spiraal gebracht. Op 22 november vorig jaar heeft de kiezer zich uitgesproken voor een andere koers. Men is het huidige beleid spuugzat. Men verwacht dat een nieuw kabinet de basis legt voor een beter maatschappelijk klimaat en het wantrouwen onder de burgers kan ombuigen. Vooralsnog ziet het daar niet naar uit. Sterker nog: de formatiepogingen van afgelopen drie maanden zijn een schaamteloze vertoning gebleken en een miskenning van de kiezer. Laten we hopen dat informateur Putters nog een reddingsboei weet te vinden. Nederland verdient een regering die de menselijke maat in ere herstelt, beter luistert naar wat er onder de bevolking leeft en een beleid voert dat gestoeld is op een breed draagvlak in de samenleving. Dat zal de burger weer perspectief en hoop kunnen bieden. Laten we er voor waken dat ons fraaie polderlandje niet nog verder wegzakt in het moeras en het opgebouwde aanzien in de wereld verkwanseld.


Waarom leren we zo weinig van de geschiedenis? Waarom gaan er decennia overheen voor politiek en openbaar bestuur tot het inzicht komen dat zij een kwalijke rol hebben gespeeld met groot maatschappelijk en persoonlijk leed als gevolg? Wat verklaart het grote zwijgen dat telkens weer de kop opsteekt en de onwil van de politiek om zelf lessen te leren? Met als pijnlijk gevolg dat slachtoffers niet het woord krijgen en hun leed en opgelopen trauma’s onder het kleed van collectief zwijgen wordt geveegd. Het zijn wezenlijke vragen die bij elke herdenking en excuus-bijeenkomst van de laatste jaren worden gesteld. Zoals de koning in zijn befaamde 4 mei toespraak van twee jaar geleden op de lege Dam. Ook menig burgemeester verwijt in ‘gedragen’ toespraken hun verre voorgangers, die meewerkten aan de gruwelmisdaad van de slavenhandel en wegkeken in WO2, dat zij aan de verkeerde (morele) kant van de geschiedenis staan. Geen oog hebben voor het leed en de trauma’s van slachtoffers. Ook religieuze leiders zijn door het stof gegaan. Bieden excuses aan over het wegkijken van het onpeilbare leed van slachtoffers van kerkelijk seksueel misbruik.

De gevolgen van het grote maatschappelijk zwijgen, wegkijken en normaal maken slaat vooral neer op de slachtoffers en hun naasten. Dat is de kern van de verhalen die – zij het mondjesmaat – van de slachtoffers de laatste jaren naar buiten sijpelen. Het zijn aangrijpende verhalen van Indiëgangers, overlevenden van WO-2 gruwelheden, de seksueel-misbruikten in religieuze- en overheidsinstellingen en de traumaverhalen van uitgezonden militairen die nooit verteld mochten worden. Omdat niemand ze wilden horen. Over opgelopen trauma’s moest vooral gezwegen worden. We weten nu welke enorme gevolgen dat heeft. Niet alleen voor de slachtoffers zelf maar ook voor hun kinderen en kleinkinderen die mede als gevolg van dat grote zwijgen indirect ook slachtoffers worden. Naast de excuuswoorden benadrukken de autoriteiten in hun toespraken bij herhaling dat er van de geschiedenis geleerd moet worden. Om herhaling te voorkomen. De praktijk leert dat het vaak bij deze mooie woorden blijft.

Met wellicht een nog pijnlijker conclusie dat degenen die deze toespraken voordragen met grote vanzelfsprekendheid vervolgens zelf in de daderrol stappen. Niets geleerd blijken te hebben en zelf het leven van miljoenen eigen burgers met ‘beleid’ traumatiseren. Zonder oog en oor te hebben voor het lijden, angsten, zorgen en pijn van hen. Drie jaar coronabeleid is daarvan het bewijs. De drie miljoen ongevaccineerden en andere coronacritici hebben dat tot hun eigen verbijstering ervaren. Het gemak waarmee politiek, het openbaar bestuur, delen van de media en medelandgenoten op herhaling zijn gegaan hielden miljoenen mensen, zeker tegen de achtergrond van al die ‘gedragen’ toespraken van autoriteiten, voor ondenkbaar. Toch is het gebeurd. Zeer velen, vooral de ongevaccineerden, zijn opgejaagd door dienaren van de Kroon. Door bestuurders met de coronapas uit de samenleving gezet. En net als de vele slachtoffers die hen voorgingen, zien we opnieuw het grote politieke en publieke zwijgen. Horen we de politieke daders – alsof er niets is gebeurd – in de verkiezingscampagnes er met geen woord over spreken. Wordt er geen enkele verantwoording afgelegd. Kon er geen enkel excuuswoord vanaf. Wordt de parlementaire enquête met het grootste gemak uitgesteld.

In ons boek Koningsbrief, een hartenkreet aan politiek, openbaar bestuur en media doen wij een appel aan de Koning om zijn eigen woorden, om niet normaal te maken wat niet normaal is, gestand te doen. Om ‘zijn’ dienaren van de Kroon en de politiek en bestuurlijke verantwoordelijken op te roepen wél de lessen van drie jaar coronapolitiek te leren en deze keer wel oog en oor te hebben voor het (traumatisch) leed dat drie miljoen ongevaccineerden is aangedaan.

Hans Siepel en Gert-Jan Ludden
(Uitgeverij Elikser en Bol.com)


Minimaal-beperkt-aanzienlijk-substantieel-kritiek. U weet waarschijnlijk niet wat hiermee wordt bedoeld. Het zijn de dreigingsniveaus terrorisme die in Nederland gelden voor publiek, bedrijven en overheden. U weet waarschijnlijk ook niet welke handelingen van u worden verwacht bij de verschillende niveaus. Daarom is het een niet tot de verbeelding sprekende dreigingsescalatieladder. De inhoud is slechts bekend bij een select groepje mensen. De niveaus bieden geen houvast aan de rest van onze samenleving. Dit past in het beeld van de steeds groter wordende afstand tussen het Rijk en de bevolking. En juist bij veiligheid is dat een miskenning van de ernst van de situatie.

Medio december kondigde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) aan dat we in Nederland van niveau 3 (aanzienlijk) naar niveau 4 (substantieel) gingen. Dit naar aanleiding van enkele terroristische aanslagen in West-Europese landen en de oplopende spanning in de Gazastrook. De NCTV verscheen op de televisie met de mededeling dat we tijdens de feestdagen en jaarwisseling goed moeten oppassen, omdat er sprake was van een verhoogde dreiging. Hij zei dat we in tegenstelling tot andere Europese landen geen maatregelen koppelen aan deze niveaus, omdat we potentiële terroristen niet ‘wijzer willen maken’ dan ze zijn. Wel verscheen er een voorlichtingsfilmpje van een kleuterschoolachtig niveau waarin de burgers werd uitgelegd wat te doen bij een eventuele aanslag: ‘vlucht-verstop je-en bel 112’. Alsof we dat niet zelf hadden kunnen bedenken.

Na ernstige gebeurtenissen zien we in Den Haag steeds weer een stereotype reactie. Politici zijn geschokt en de overheid communiceert adviezen vanuit angst en indekgedrag. Veelal te scharen onder schijnveiligheid. We zaten ruim twee jaar in fase aanzienlijk en nu plotsklaps in substantieel. Maar wat is nu precies het verschil met ‘aanzienlijk’? Wat zijn de criteria voor op- en afschalen? Waarom is er naast het nationaal ‘hitteplan’ en de waarschuwingscodes voor slecht weer geen plan voor terrorismedreiging? Het wordt er niet duidelijker op en het leidt tot verwarring bij het brede publiek dat de mededeling van de NCTV slechts voor kennisgeving aanneemt. En dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn bij crisisbeheersing waar de nadruk ligt op preventie en preparatie.

De voorbereiding op maatschappij-ontwrichtende situaties als gevolg van terrorisme vergt een professionele samenwerking tussen publieke organisaties, private ondernemingen, kenniscentra, media en de bevolking. Ook religieuze instellingen, zorgcentra, scholen en maatschappelijke instellingen zullen zich beter moeten voorbereiden. Dat heeft de recente aanslag in Praag onmiskenbaar duidelijk gemaakt. Dat kan alleen als de NCTV, het openbaar bestuur en hulpdiensten hen daar in bijstaan met concrete ondersteunende maatregelen, professionele adviezen en het openstellen van een helpdesk waar men aanvullende informatie kan inwinnen.

Daarom een oproep een de NCTV. Wees eerlijk in de informatievoorziening en bied de Nederlandse samenleving duidelijke handvatten die passen bij de verschillende dreigingsniveaus. Communiceer open en eerlijk richting de verschillende doelgroepen binnen de samenleving en vermijd onzinnige filmpjes. Voorbereiding op terreurdaden is iets van ons allemaal en niet voorbehouden aan enkele ‘deskundigen’ in Den Haag. Het zou tragisch zijn wanneer we pas na een terroristische aanslag in Nederland tot dit besef komen.

Doe niet te geheimzinnig als het om terreurdreiging gaat, maar neem een voorbeeld aan andere Europese landen waar men wel maatregelen koppelt aan de verschillende dreigingsniveaus. Dat zal ons uiteindelijk een veiliger samenleving brengen. De begrippen minimaal-beperkt-aanzienlijk-substantieel en kritiek krijgen dan ook veel meer betekenis. En daar is het uiteindelijk om te doen.


Nederland kent een ondoorzichtige structuur als het om crisisbeheersing gaat. Er is een kluwen aan organisaties ontstaan, waardoor het in de aanpak van kleinschalige calamiteiten al misgaat. Ook in complexe situaties werkt de crisisorganisatie niet slagvaardig. Dat hebben de vluchtelingencrisis, de toeslagenaffaire, de aardbevingsproblematiek en de coronacrisis duidelijk gemaakt. Evaluaties en onderzoeksrapporten komen niet veel verder dan aanbevelingen in het verbeteren van de informatievoorziening en crisiscommunicatie. De vraag is evenwel waar het nu echt hapert in ons veiligheidsbestel en hoe dat kan worden verbeterd?

Sinds 2002 heeft het openbaar bestuur de rampenbestrijding en crisisbeheersing in Nederland willen verbeteren. Daaruit zijn 25 veiligheidsregio’s ontstaan. Dat heeft geleid tot de regionalisering van de brandweer en de geneeskundige hulpverlening, een uitholling van veiligheidstaken op gemeentelijk niveau en het buitenspel zetten van de commissarissen van de Koning. Er is geen uniforme gebiedsindeling met de organisaties van politie, waterschappen en de arrondissementen. Evenmin is er sprake van structurele samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen. De veiligheidsregio’s focussen zich op rampenbestrijding en als het om complexe crisissituaties gaat, kijkt men voor oplossingen al snel naar Den Haag. Ook de afstemming Rijk-regio is niet goed verankerd. Het veiligheidsberaad dat coördineert heeft geen zeggenschap en is democratisch niet gelegitimeerd.

Crisisbeheersing op landelijk niveau geeft evenmin reden tot optimisme. Het overhevelen van het veiligheidsdossier van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) in 2010 en de oprichting van de nationale politie heeft niet tot kwaliteitsverbetering geleid. Crisisbeheersing is uit de gezagsstructuur van het openbaar bestuur gehaald, de 10 politie-eenheden zijn gedesintegreerd met de veiligheidsregio’s en het bundelen van crisisbeheersingstaken in een justitieel vakdepartement is verre van ideaal. Ook is in 2015 de landelijke operationele staf ontmanteld, waardoor de bovenregionale operationele aansturing bij nationale crises is weggevallen. Een gemis dat zich openbaart bij elke grootschalige ramp of crisis.

De provincie (midden-bestuur) zal haar positie in de veiligheidsketen moeten verstevigen. De provincies hebben een duidelijke gebiedsindeling, kennen een formele democratische controle, worden aangestuurd door het ministerie van BZK en zijn verantwoordelijk voor publiek-private- en grensoverschrijdende samenwerking. Bij bovengemeentelijke crisissituaties heeft de commissaris van de Koning de regie over de lokale bestuurders en is de juiste tussenschakel met het Rijk. Met 12 meldkamers, 12 brandweerkorpsen, 12 GGD’n, 12 ambulancediensten, 12 arrondissementen , 12 waterschappen en 12 politie -eenheden ontstaat bovendien een logische en geografische inbedding van hulpdiensten per provincie.

Voor het Rijk is het gemakkelijker overleg te plegen met 12 commissarissen van de Koning dan met 25 burgemeesters. Op nationaal niveau zullen veiligheid en crisisbeheersing weer een verantwoordelijkheid moeten worden van het ministerie van BZK. Bij uitstek het coördinerend vakdepartement voor nationale veiligheid. Ook zal er een professioneel civiel-militair geïntegreerd hoofdkwartier moeten worden ingericht, verantwoordelijk voor de operationele aansturing bij landelijke crises. Een organisatie als verlengstuk van het landelijk operationeel coördinatiecentrum (LOCC) te Zeist.
Het is van cruciaal belang dat de crisisstructuur aansluit op onze staatsinrichting. De Veiligheidsregio hoort daar niet in thuis; de provincie wel. In daadwerkelijke crisissituaties zijn korte lijnen, heldere (gezags)structuren, efficiënte inzet van hulpdiensten en effectief leiderschap cruciale succesfactoren. Terug naar de eenvoud dus. Dat zal de veiligheid van onze burgers ten goede komen.


Na regen komt zonneschijn. Na een epidemie volgt een periode van minder sterfte. Zoals in 2018 toen de griep langs kwam en in 2019 het oneerbiedige “kreupele hout” was verdwenen. Maar nadat in 2020 corona weer tot extra sterfgevallen leidde, herstelde de oude trend zich niet: de uitvaartondernemers maken tot aan vandaag overuren. Wat is er aan de hand?

Voor wie de gebeurtenissen heeft meegemaakt en aan den lijve heeft ondervonden, was te verwachten dat het beslist repressieve beleid in heel veel opzichten contraproductief moet zijn geweest. Niet verwonderlijk als de remedie bestaat uit een voortdurende staat van angst, economische marginalisering, opsluiting, dichte sportscholen, vereenzaming, reisbeperkingen, samenkomstverbod, repressie, onderwerping en tot slot zelfs opgedrongen injecties met een reeks aan experimentele gentherapie met geheime maar variabele samenstelling, ingekocht door bureaucraten onder geheime voorwaarden én met dubieuze belangen én handelend onder een deken van obscurantisme. A recipe for disaster, zoals de Britten zeggen.

Dat is echter in Haagse kringen bepaald geen gangbare opvatting; daar wordt steevast het beeld gecreëerd dat er vele levens gered zijn door het beleid en in het bijzonder door de vaccinatiecampagnes. En corona wordt steevast gepresenteerd als ontwrichtende dreiging, en zelfs nu het endemisch en verwaarloosbaar qua omvang is, wordt het gevaar van “Long Covid” of “Post Covid” (PC) uitgebreid benadrukt. Dat laatste overigens zonder aan te geven hoe het onderscheid gemaakt zou kunnen worden tussen PC en Post Vaccinatie schade (PV), want in het mantra van de bewindslieden en haar adviseurs bestaan “bijwerkingen” slechts in zeer zeldzame gevallen.

[KOP] Veilig en effectief dus

En corona mag dan inderdaad “vergelijkbaar met de griep” blijken te zijn, het zou het gevaar van zogeheten zoönosen illustreren, ook al is er geen bewijs dat corona daar iets mee van doen heeft. Dit gevaar vereist “pandemische paraatheid”, aldus het genootschap van virologen, een idee dat breed gedeeld wordt onder beleidsmakers. Een formele en onafhankelijke evaluatie van beleid en ‘maatregelen’ (onthoud dat woord) kon niet van de grond komen, ondanks dat de Veiligheidsraad enkele kritische kanttekeningen plaatste. Zo kon het gebeuren dat er zelfs in 2022 een speciale wet is opgetuigd die herhaling van de zelfde stappen – en veel meer – mogelijk moet maken. Die is inmiddels door de Eerste Kamer aangenomen. Zie daarover het aparte artikel-drieluik.

[KOP] Een iconische figuur

Laten we het onderzoek en de hypotheses naar de oorzaken van de hoge sterfte eerst op een rij zetten, maar niet nadat we de sterfte grafisch op een overzichtelijke manier presenteren. De zelfde data als die van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) maar dan zónder de zogeheten “verwachte sterfte” en dus ook zónder de “oversterfte”, het verschil tussen totale sterfte en de verwachting. Dat heet Sterfte Ongeacht Oorzaak (SOO).

Kijk in Figuur 1 eerst naar de kleine figuur in de inzet. De gemiddelde sterfte per week ligt steevast hoger dan 2500/week, 130.000 per jaar. Dat is de schuine rechte lijn. Het laatste ‘normale’ jaar 2017, de blauwe lijn, loopt wat steiler en vanzelfsprekend steekt de magenta lijn van 2020 daar wat bovenuit, met een morbide ‘groeistuip’ rond week 15 en ook eind dat jaar tijdens de lockdown, zodat dat jaar eindigde met 170.000 overledenen.

Het (donkergrijze) gebied tussen de rechte 2500/week lijn en de magenta lijn is in de grote grafiek uitvergroot door naar de sterfte boven die 2500-lijn te kijken. Dan is er ook ruimte voor meerdere jaren sinds 2016 voor historisch perspectief, zonder in een spaghettigrafiek het overzicht te verliezen. En blijkt dat er twee groepen van lijnen zijn: 1) 2016 t/m 2019, de pre-crisis-jaren, en 2) 2020 t/m nu. Die tweede groep kent een surplus sterfte van zo’n 20.000 overledenen per jaar. Het eerste vaccinatiejaar is de streeplijn. Het lijkt alsof het huidige jaar onverminderd door zal gaan in de trend van die tweede groep. Hoe komt dat?


[KOP]Twee werelden

Geachte senatoren,

In januari bood mijn stichting, de Biomedische Rekenkamer, de leden van de Eerste Kamer een tegeltje aan met de tekst “Onwetendheid is vanaf nu een keuze” en in de toespraak refereerde ik aan de verantwoordelijkheid van ingenieurs en luchtwaardigheid van hun producten. En als voorbeeld aan de raket met ruimteveer De Challenger. Dat werd een ramp door groepsdenken en monocultuur. Belangrijke beslissingen vergen verantwoordelijkheid en objectieve validatie.
De vraag is nu, is deze pandemiewet érger dan een ramp, eigenlijk dus een monsterwet, of een noodzakelijke slaapwet?

U werd het er tijdens de debatten niet over eens. U vond evaluatie niet nodig, laat staan dat u aan validatie toe kwam.

Er lijkt sprake van twee werelden.
> Het verhaal van de overheid, de media, de denktank desinformatie
> De verborgen data en gecensureerde feiten, en natuurlijk speculaties

Ik doorloop die twee werelden met een beeldverhaal naar misschien wel de belangrijkste keuze van uw leven.